Fleur Jongepier
Berghonger, vragen naar de onbekende weg
De Bezige Bij
Berghonger
‘In kleermakerszit ga ik voor mijn tentje zitten. Ik kijk naar de kudde steenbokken die als silhouet afsteekt tegen de gletsjer aan de overkant, waar ik recent nog op stijgijzers stond. Twee mannetjes proberen hun krachten op elkaar uit; het is alsof ik naar een voorstelling kijk in een klein alpentheater. En ik ben zo tevreden – zo tevreden dat het niet eens bij me opkomt dat ik tevreden ben.’, zo begint Fleur Jongepier het essay dat ze voor Trouw schreef. Het is een bewerkt hoofdstuk van haar boek Berghonger, vragen naar de onbekende weg.
In dat boek beschrijft Fleur Jongepier haar relatie met bergen, of beter de honger om bij de bergen te zijn. Daar is ze iemand anders, of misschien beter: daar is ze wie ze is. ‘In de regel is het zelf op zeeniveau conservatief ingesteld - wil meer van hetzelfde - en het bergzelf eerder progressief: het wil verandering, iets nieuws of iets anders. Zeeniveau en bergzelf, dat is het perspectief. Iets dergelijks hoorde ik ooit in een gesprek met Shervin Nekuee, die zich nog goed de bergen in zijn thuisland Iran herinnerde, ook na zoveel jaar nu in Nederland, dit landje aan de zee.
‘Kijk, in een vlak land waar je ook rekening moet houden met de zee, is het noodzaak planmatig te gaan denken. In mijn thuisland kijk je op tegen de bergen van 6.000 meter of een oneindige woestijn. Dus je moet je verhouden tot die natuur. En dat planmatige denken hier - wat is het plan, wat kan mijn plan zijn? - is ook nu een gegeven in de cultuur in Nederland. Het heeft natuurlijk ook met arbeidsethos te maken. Maar planmatig, industrieel denken past niet meer in deze tijd.’
Dat planmatige, dat op vaste koers gaan, denken aan de bankrekening, Fleur Jongepier schrijft dan: ‘Voor het bergzelf is verandering zuurstof, voor het zeeniveau is het benauwdheid. Beiden zijn even hard nodig. Het probleem is alleen: we luisteren zelden naar beide.
Eerlijk gezegd had ik nog nooit bedacht dat het vlakke land ook zijn invloed op ons denken, voelen, ons gestel zou hebben. Ja, we kennen natuurlijk het lied van Jacques Brel over het vlakke land:
‘Wanneer de Noordzee koppig breekt aan hoge duinen
En witte vlokken schuim uiteenslaan op de kruinen
Wanneer de norse vloed beukt aan het zwart basalt
En over dijk en duin de grijze nevel valt
Wanneer bij eb het strand woest is als een woestijn
En natte westenwinden gieren van venijn
Dan vecht mijn land, mijn vlakke land.’
Het zeeniveau, waar we het zelf ervaren, is dan de mens die vecht, pland, een punt zet op de horizon, maar speelt het ook, leeft het ook? ‘Het bergzelf kan bijvoorbeeld veel makkelijker de wilde gedachte toelaten om te emigreren, minder te werken, bepaalde vriendschappen of familiebanden te verdiepen (of juist te beëindigen), te gaan protesteren, in therapie te gaan, je huis open te stellen, een nieuwe taal te leren of instrument te bespelen.’ Het bergzelf is dus met andere woorden de spelen mens, de homo ludens. Misschien is de honger naar de bergen dus precies dat boek dat ze moeten lezen om van dat vlakke, dorre, voorspelbare, saaie land en leven weg te komen?
Shervin Nekuee: ‘We zijn hier heersers geworden. Dan ben je niet aan het dansen met de natuur. Dan is de natuur ook niet heilig ofzo. Het is een ding. Zo hebben we ook lang naar binnen, naar onze psyche gekeken. We hebben heel lang gedacht dat we dingen konden fixen. Maar als je bezield naar de wereld kijkt dan ga je meer naar de grondtoon kijken. Welke dialectiek is er nodig om elkaar te verstaan? Dat is een heel andere benadering dan de mechanische benadering.’
Via verschillende hoofdstukken neemt Fleur Jongepier de lezer dan mee om die trektocht naar de bergen. Over roekeloosheid en verdwalen, de eenzaamheid en de stilte, over het inzicht van bullshitjobs, de valangst en het loslaten om in de flow te komen.
Eén inzicht om haar boek vond ik dan ook weer zo’n eye-opener, namelijk het lichaam dat je door het wandelen, klimmen, inademen weer meer gewaar wordt. Maar is het lichaam dan ook niet een eigen identiteit, los van de mind? Het lichaam dat kan denken. Daarbij haalt zij Nan Sheperd (1893-1981)aan, een Schots romanschrijver en dichter. Ze geldt als pionier binnen de literaire traditie ‘nature-writing’, en haar bekendste werk is waarschijnlijk haar non-fictieboek The Living Mountain (1977). Net als Nan Sheperd ervaart Fleur Jongepier hoe haar eigen lichaam - eenmaal in de bergen - haar herinnert wie ze wil zijn, of misschien wel wie ze is. Ze schrijft dan: ‘Een écht radicale lezing van Sheperd is er dan ook een waarbij het voelende, denkende, beslissende lichaam ook door en door persoonlijk is’. Het lichaam is zo een eigen, heel persoonlijke deel, entiteit, en heeft een eigen ‘stem’ in het geheel. Het is niet het voertuig dat we nu eenmaal hebben, maar het leeft een eigen leven.
Veel therapeuten zullen nu ja-knikkend dit lezen, want nogal wat patiënten komen bij hen met een opgebrand lijf. Niet geluisterd naar het lichaam, door gedenderd, vastgelopen. Ons verstoppen met nog meer werk, nog meer consumeren, nog meer vertier helpt niet langer. De bestaanspijn die zich zo nadrukkelijk presenteert op de horizontale lijn, een lijn die geen verbinding maakt met de verticale lijn, de lijn van de verbeelding wie we ten diepste als mens zijn.
‘Waarom beklim ik bergen? Niet omdat ik dood wil. Precies het omgekeerde: omdat het leven me goed bevalt.’
Ron van Es
Boek van de Radio
Luister naar Ron van Es die het boek van Fleur Jongepier besprak in het radio programma Optimist Spotlight